Autisme en psychotherapie: een diagnose is geen contra-indicatie

·

Over behandelgeschiktheid, specialistische expertise en de toegankelijkheid van psychologische zorg

Een autismediagnose opent deuren naar gespecialiseerde zorg. Dezelfde diagnose kan een deur sluiten wanneer iemand psychotherapie zoekt voor trauma, depressie of persoonlijkheidsproblematiek.

Niet iedere psychotherapeut behandelt mensen met autisme. Soms ontbreekt de expertise, soms past de behandelvorm niet, soms hanteert een instelling autisme als uitsluitingscriterium. Dat roept drie vragen op. Wat zegt een diagnose over iemands geschiktheid voor psychotherapie? Wordt die geschiktheid individueel beoordeeld? En hoe toegankelijk is psychotherapie voor mensen met autisme?

Wanneer is iemand geschikt voor psychotherapie?

Doorverwijzen is soms de juiste keuze. Ernstige problematiek, complexe zorgbehoeften en gebrek aan deskundigheid zijn goede redenen. Ook bij autisme kan een behandeling om aanpassing vragen. Sommige mensen met autisme hebben moeite met het herkennen en verwoorden van emoties, met abstract denken of met het lezen van sociale situaties. Een behandelaar die blijft aandringen op groei waar iemand ondanks alle inspanning nauwelijks vooruitkomt, oogst frustratie in plaats van ontwikkeling.

Maar rekening houden met beperkingen is iets anders dan ervan uitgaan dat ze er zijn.

Niet iedereen met autisme heeft dezelfde moeilijkheden, en niet iedereen met die moeilijkheden heeft autisme. De een heeft hulp nodig bij het benoemen van gevoelens, de ander reflecteert scherp op eigen gedachten, gevoelens en gedrag. Een diagnose maakt aandachtspunten zichtbaar. Over de geschiktheid voor een specifieke therapie zegt ze weinig.

Wat zegt het onderzoek?

Het onderzoek naar psychologische behandeling bij autisme groeit, maar de hoeveelheid en kwaliteit van het bewijs verschillen sterk per behandelvorm.

EMDR en traumabehandeling

In een Nederlands onderzoek uit 2019 kregen 21 volwassenen met autisme en traumagerelateerde klachten EMDR. Posttraumatische stressklachten en algemene psychische klachten namen duidelijk af, en die verbetering hield stand tijdens de follow-up. Het onderzoek was klein en had geen gerandomiseerde controlegroep, maar het laat zien dat EMDR bij deze groep uitvoerbaar is en resultaat oplevert.

Een interviewstudie uit 2022 onder 23 Britse EMDR-therapeuten liet zien hoe zij de acht fasen van EMDR behouden en hun werkwijze afstemmen op de individuele cliënt. Welke aanpassingen voor wie het beste werken, is nog onvoldoende onderzocht. Dat is een open vraag, geen reden om EMDR bij autisme uit te sluiten.

Schematherapie

Een scoping review uit 2024 besprak elf publicaties over schematherapie bij volwassenen met autisme en vond voorlopige aanwijzingen dat de behandeling toepasbaar en mogelijk effectief is. Schematherapie combineert een heldere structuur met abstracte begrippen en ervaringsgerichte technieken: schema’s, modi, imaginatie, emotionele behoeften. Voor de een is die structuur een houvast, de ander heeft meer uitleg nodig bij imaginatie of modi. De relevante vraag is dus niet óf schematherapie past, maar welke onderdelen bij wie aansluiten en hoe de behandelaar daarop afstemt.

Cognitieve gedragstherapie

Voor cognitieve gedragstherapie is de wetenschappelijke basis breder, vooral bij angstklachten, maar niet eenduidig. Een meta-analyse van Weston, Hodgekins en Langdon (2016) omvatte 48 studies. Bij affectieve klachten vonden de onderzoekers een significant middelgroot effect wanneer behandelaren of andere informanten de verbetering beoordeelden. Wanneer cliënten zelf rapporteerden, waren de effecten kleiner en niet significant.

Een systematische review uit 2026 analyseerde tien gerandomiseerde studies met samen 537 volwassenen met autisme. De onderzoekers vonden aanwijzingen voor verbetering, maar beoordeelden de zekerheid van het bewijs voor de meeste uitkomsten als zeer laag, onder meer door kleine onderzoeksgroepen en methodologische beperkingen. Uitvoerbaar is cognitieve gedragstherapie wel, met explicietere uitleg, een voorspelbare structuur en concrete voorbeelden.

Beperkt bewijs is iets anders dan bewijs dat psychotherapie bij autisme niet werkt. De Nederlandse Zorgstandaard Autisme gaat ook van dat uitgangspunt uit: bijkomende psychische problemen worden behandeld volgens de richtlijnen die daarvoor gelden, met aanpassingen die aansluiten bij het autisme. Autisme is in die standaard een reden om af te stemmen, geen reden om uit te sluiten.

Wanneer een diagnose de hulpvraag overschaduwt

Naast de toegang tot psychotherapie speelt een tweede probleem: klachten die ten onrechte aan autisme worden toegeschreven.

Mensen met autisme lopen een verhoogd risico op ingrijpende ervaringen als pesten, uitsluiting en misbruik. Traumaklachten lijken bovendien op wat bij autisme wordt gezien: vermijding, verhoogde alertheid, moeite met contact, problemen met emotieregulatie. Wie die klachten vooral vanuit autisme verklaart, mist het trauma eronder. Dit heet diagnostic overshadowing: een bestaande diagnose domineert de interpretatie, zodat andere psychische problemen buiten beeld blijven. Het gevolg is begeleiding bij autisme waar behandeling van trauma, angst of depressie nodig was.

Een diagnose die bedoeld is om passende zorg te ontsluiten, kan zo andere behandelbare klachten aan het zicht onttrekken.

Nederlandse tucht- en geschillenrechtelijke uitspraken laten zien dat dit geen theoretisch risico is.

In 2012 behandelde het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Eindhoven de klacht van een man die door zijn huisarts was verwezen voor traumaverwerking, mogelijk met EMDR. Tijdens de intake vermoedde de psychiater autisme. De man kreeg een voorlopige werkdiagnose en een verwijzing naar een gespecialiseerd autismeteam. Zijn hulpvraag raakte uit beeld. Later werd een ernstige chronische PTSS vastgesteld. Het tuchtcollege oordeelde dat de psychiater onvoldoende duidelijk had gemaakt dat autisme een werkdiagnose was die kon worden bijgesteld, en onvoldoende had onderbouwd waarom zij aanvankelijk geen PTSS vaststelde. De klacht werd gegrond verklaard; de psychiater kreeg een waarschuwing.

Een diagnostische hypothese is geen verklaring. Een vermoeden van autisme rechtvaardigt aanvullend onderzoek, niet het loslaten van de oorspronkelijke hulpvraag.

In 2022 boog de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg zich over een vergelijkbare situatie, met een opvallend verschil: hier was helemaal geen autismediagnose. Een vrouw zocht behandeling voor jeugdtrauma en vroeg om rekening te houden met haar hoogbegaafdheid. Verschillende behandelaren vermoedden autisme. Zij herkende zich daar niet in, en eerder onderzoek had de diagnose ook niet bevestigd. Volgens haar ontstond een tunnelvisie die haar hulpvraag verdrong. De commissie nam niet al haar verwijten over, maar stelde vast dat de zorgaanbieder onvoldoende voortvarend was geweest bij het starten en uitvoeren van de behandeling, en dat onvoldoende was gebleken dat aan de oorspronkelijke hulpvraag was gewerkt. Drie klachtonderdelen werden gegrond verklaard.

Deze zaak laat zien dat het vermoeden alleen al genoeg kan zijn om de hulpvraag te verdringen. Bij hoogbegaafde volwassenen ligt die verwarring voor de hand: intensiteit, een eigen manier van denken en moeite met sociale afstemming kunnen op autisme lijken zonder het te zijn.

Hoe voorkomen we dat een diagnose, of zelfs een vermoeden daarvan, zwaarder weegt dan de klachten waarmee iemand zich meldt?

Een diagnose is geen behandelplan

Psychiater en hoogleraar Jim van Os wijst al langer op de beperkte waarde van classificaties voor individuele behandelkeuzes. In Context v. algorithm (2021) laat hij zien dat mensen met dezelfde diagnose sterk verschillen in klachten, achtergrond, mogelijkheden en zorgbehoeften, terwijl mensen met verschillende diagnoses baat kunnen hebben bij dezelfde behandeling. Hij bepleit een transdiagnostische, contextuele benadering waarin het functioneren en de omstandigheden van de cliënt centraal staan, niet de categorie.

Als een diagnose maar beperkt voorspelt welke behandeling bij iemand past, hoeveel gewicht mag ze dan krijgen bij het uitsluiten van behandelingen?

Behandelgeschiktheid hangt af van de hulpvraag, het functioneren, de behandeldoelen, de technieken en de deskundigheid van de behandelaar. Een psychotherapeut met een breed repertoire kan flexibel inspelen op wat een cliënt nodig heeft. Een behandelaar die met een vast protocol werkt, heeft minder ruimte om af te wijken. Dat hoeft geen nadeel te zijn: gespecialiseerde programma’s zijn juist effectief omdat ze voor een afgebakende doelgroep zijn ontwikkeld.

Wel vraagt het om een scherp onderscheid tussen drie redenen om iemand niet in behandeling te nemen:

  1. De behandeling is ongeschikt voor deze cliënt.
  2. De behandeling is geschikt, maar vraagt aanpassingen.
  3. De behandeling is passend, maar de instelling heeft de expertise of mogelijkheden niet.

Voor de cliënt klinken ze alle drie hetzelfde: wij kunnen u niet behandelen. Toch vragen ze om verschillende antwoorden. Instellingen moeten daarom kunnen uitleggen op welke van de drie hun beslissing rust.

Psychotherapie ligt bovendien nooit vooraf vast. Behandelaars stellen doelen, evalueren en sturen bij. Soms sluit een behandeling minder goed aan dan verwacht, soms blijkt er meer mogelijk. Waarom zou dat bij autisme anders zijn? Waar geen duidelijke contra-indicaties bestaan, kan een verkennende behandelfase uitwijzen wat haalbaar is, met vooraf afgesproken evaluatiemomenten en heldere afspraken over wat er gebeurt als het onvoldoende oplevert.

Geen instelling hoeft iedereen aan te nemen. Maar iemand afwijzen omdat een behandeling aantoonbaar niet past, is iets anders dan iemand afwijzen omdat er vanwege een diagnose problemen zouden kunnen ontstaan.

Beoordeel behandelgeschiktheid op de persoon die tegenover je zit, niet op het label in het dossier.

Tussen reguliere en specialistische zorg

Stel dat iemand met autisme traumatherapie nodig heeft. De reguliere instelling vindt de problematiek te complex en verwijst naar gespecialiseerde autismezorg. Die biedt vooral diagnostiek, psycho-educatie en begeleiding, of heeft wel psychotherapie maar een lange wachtlijst en strikte toelatingscriteria. De reguliere zorg vindt specialistische expertise nodig; de specialistische zorg biedt niet de behandeling waarvoor iemand komt. De cliënt valt ertussen.

Internationaal onderzoek bevestigt dit patroon. In een Amerikaanse interviewstudie onder 22 volwassenen met autisme, 44 behandelaren en 11 leidinggevenden kwamen beperkte kennis over autisme, onzekerheid bij behandelaren en gebrekkige samenwerking tussen zorgsystemen naar voren als belangrijkste belemmeringen. Sommige deelnemers werden al bij de intake afgewezen zodra ze hun diagnose noemden. Het Duitse onderzoek BarrierfreeASD (2023) vond vergelijkbare problemen: weinig oog voor individuele behoeften, een tekort aan geschikte voorzieningen en beperkte samenwerking tussen zorgverleners. Deze studies zijn niet één op één over te zetten naar Nederland, maar ze laten zien wat er gebeurt als het aanbod niet aansluit bij de diversiteit van de doelgroep.

Hoe Nederlandse instellingen hun toelatingscriteria bepalen, is grotendeels onbekend. Emerhese Flevoland, onderdeel van GGz Centraal, laat zien hoe specialistische zorg kan worden afgebakend. De instelling biedt hoogspecialistische diagnostiek en behandeling aan volwassenen met (een vermoeden van) autisme, een gemiddeld of bovengemiddeld intelligentieprofiel en complexe psychiatrische problematiek, voor wie reguliere zorg onvoldoende passend is. Emerhese doet ook differentiaaldiagnostiek, second opinions en consultatie aan andere behandelaren, en traumabehandeling hoort bij het aanbod. Specialistische autismecentra doen dus meer dan begeleiden. Tegelijk blijft de vraag open waar de grens ligt: welke cliënten horen in de reguliere psychotherapie, wanneer is specialistische expertise echt nodig, en wat gebeurt er met wie buiten beide criteria valt?

Dat een afwijzing ook terecht kan zijn, blijkt uit een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle uit 2020. Een cliënt met autisme en sociaal-fobische klachten werd na de intake niet aangenomen door een team voor ontwikkelingsstoornissen, dat eerst meer stabiliteit op verschillende levensgebieden nodig achtte en andere ondersteuning adviseerde. Het tuchtcollege verklaarde de klacht ongegrond: de behandelaar had zorgvuldig onderzocht, collega’s geraadpleegd en haar advies onderbouwd. Geen automatische uitsluiting vanwege autisme, maar een individuele beoordeling. Precies dat onderscheid doet ertoe.

Niet iedereen met autisme heeft voor iedere hulpvraag specialistische zorg nodig. De vraag is dus niet alleen hoeveel specialistische plekken er zijn, maar ook hoe toegankelijk de reguliere psychotherapie is voor wie geen intensieve specialistische ondersteuning nodig heeft.

Wat een afwijzing vraagt

Wie psychotherapie zoekt, loopt vaak al lang met klachten rond, soms na eerdere trajecten en lange wachttijden. Een afwijzing vanwege een diagnose komt dan hard aan, zeker zonder uitleg. Niet iedere afwijzing is onterecht. Maar wie niet kan helpen, is de cliënt drie antwoorden verschuldigd: waarom deze behandeling niet passend wordt geacht, welke mogelijkheden zijn onderzocht, en waar iemand wel terechtkan.

Past de behandeling niet, zoek dan een alternatief. Ontbreekt de expertise, dan kunnen scholing of samenwerking met een specialist uitkomst bieden. Spelen vooral organisatorische grenzen, dan ligt er een vraag over de inrichting van de ggz.

Wat we nog niet weten

Welke aanpassingen voor welke mensen met autisme het best werken, is grotendeels onbekend. Er is weinig onderzoek naar specifieke groepen, zoals volwassenen die naast autisme ook ADHD hebben of hoogbegaafd zijn. En voor zover deze verkenning laat zien, ontbreekt systematisch Nederlands onderzoek naar de toelatingscriteria van psychotherapie-instellingen. Hoe vaak mensen met autisme worden afgewezen, hoe vaak de diagnose zelf daarbij doorslaggevend is en hoeveel van hen daarna een passend alternatief vinden: we weten het niet.

Wie wil weten hoe toegankelijk psychotherapie voor mensen met autisme is, moet dus niet alleen naar ervaringen van afwijzing kijken, maar naar het hele aanbod en de feitelijke mogelijkheden om daar gebruik van te maken.

Van diagnose naar mogelijkheden

Mensen met dezelfde diagnose verschillen sterk in cognitieve mogelijkheden, emotionele ontwikkeling, communicatie, zelfstandigheid en ondersteuningsbehoefte. Onderzoek laat zien dat verschillende behandelingen ook bij autisme werken, terwijl nog veel onbekend is over welke aanpassingen bij wie passen. Juist daarom hoort er ruimte te zijn voor individuele beoordeling.

Een diagnose kan richting geven. Ze helpt om rekening te houden met beperkingen, realistische verwachtingen te formuleren en ondersteuning te organiseren. Maar een diagnose mag niet bepalen welke behandelingen iemand niet krijgt.

De vraag is niet alleen of iemand geschikt is voor een therapie, maar wat er nodig is om die therapie geschikt te maken.

En waar dat binnen een instelling niet lukt, begint een volgende verantwoordelijkheid: zorgen dat iemand niet tussen twee vormen van zorg verdwijnt. Het gaat er uiteindelijk niet om of iemand in het bestaande aanbod past, maar of het aanbod past bij de mensen die het nodig hebben.


Bronnen

Wetenschappelijke literatuur

  1. Weston, L., Hodgekins, J. & Langdon, P.E. (2016). Effectiveness of cognitive behavioural therapy with people who have autistic spectrum disorders: A systematic review and meta-analysis. Clinical Psychology Review. PubMed
  2. Vuijk, R. e.a. (2024). Schema therapy in adults with autism spectrum disorder: A scoping review. Clinical Psychology & Psychotherapy. PubMed
  3. Lobregt-van Buuren, E. e.a. (2019). EMDR therapy as a feasible and potential effective treatment for adults with autism spectrum disorder. PubMed
  4. Using EMDR with autistic individuals: A qualitative interview study with EMDR therapists (2022). Psychology and Psychotherapy: Theory, Research and Practice.
  5. Perez-Castilla e.a. (2026). Effects of cognitive behavioral therapy in autistic adults: A systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. Artikel
  6. Van Os, J. (2021). Context v. algorithm: Evidence that a transdiagnostic framework of contextual clinical characterization is of more clinical value than categorical diagnosis. Artikel
  7. Barriers and needs in mental healthcare of autistic adults in Germany: A qualitative study (2023). BMC Psychiatry. Artikel
  8. Akwa GGZ (2017). Zorgstandaard Autisme.

Nederlandse uitspraken en praktijkvoorbeelden

  1. Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven (2012). ECLI:NL:TGZREIN:2012:YG2056. Uitspraak
  2. Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (2022). Zorgaanbieder onvoldoende voortvarend bij in gang zetten therapie. Uitspraak
  3. Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle (2020). ECLI:NL:TGZRZWO:2020:99. Uitspraak
  4. GGz Centraal. Verwijscriteria Emerhese Flevoland. Verwijscriteria


Categorie: